De literaire thriller ‘De schaduw van Elvira’

  • 4 augustus 2016 |
  • 4078 x bekeken |

‘Elvira,’ schreeuw ik uit alle macht. Ik herken mijn spiegelbeeld niet. Rooddoorlopen ogen, uitgelopen mascara, natte wangen van de tranen. Zwarte pupillen staren mij aan. Ik staar terug. Steunend tegen de wastafel. Met mijn laatste kracht houd ik mijzelf overeind. Ik kijk omlaag. Vouw mijn handen om het lemmet. Een scherpe pijn. Mijn knieën knikken. De zwaartekracht trekt mij omlaag. Met een klap kom ik neer op de grond. De kou van de smoezelige badkamervloer kruipt via mijn huid richting mijn hart.
‘Ik zag het niet,’ fluister ik.
Langzaam word ik weggetrokken naar het donker. Mijn hoofd wordt licht. Mijn ogen vallen dicht met Elvira op mijn netvlies.

‘Ik haat je!’
De klap komt harder aan dan ik had gewild. Toms hoofd volgt de richting van mijn hand.
‘Het spijt me,’ zegt hij. Met zijn hand raakt hij zijn gezicht aan. Hij kijkt me niet aan. Ik zie dat hij de pijn verbijt. Ik voel mijn mondhoeken omhoog krullen. ‘Ik hou van haar,’ zegt hij, terwijl hij ons oogcontact hervat.
‘Ik haat je’, zeg ik nogmaals. Ik probeer uit alle macht mijn lachen in te houden. Tom kijkt me doordringend aan. Ik verlies de controle. Bulderend van de lach schiet ik uit mijn concentratie en trek Tom erin mee.
‘Sorry, zo hard was niet de bedoeling,’ zeg ik verontschuldigend.
‘Cut,’ roept Hans lichtelijk geïrriteerd. ‘De volgende take moet goed zijn. Nogmaals.’

Tom en ik houden onze aandacht erbij en na de volgende take is het een wrap. Mijn werkdag zit er op. Ik excuseer mij bij Hans en loop met Tom mee naar de gang. Bij mijn eigen kleedkamer ga ik naar binnen. Ik kleed mijzelf om en hang de kleding van Vivian, mijn personage, aan het kledingrek. Bij de wasbak haal ik met een doekje de make-up van mijn gezicht. Ik kijk mezelf aan in de spiegel. De zwarte vlekken van de resterende mascara laten mij vermoeider ogen dan ik mij voel. Ik veeg ze weg en maak mezelf opnieuw op.

Een blik op de klok vertelt mij dat het kwart over drie is. Er is nog tijd. Als ik mijn jas en tas heb gepakt, loop ik mijn kleedkamer uit. In de gang tref ik Tom opnieuw.
‘Ben jij ook klaar?’ vraag ik hem.
‘Nog één scène met Melanie te gaan. Fijn weekend,’ antwoordt hij.
Ik wens hem hetzelfde en loop naar de uitgang van het gebouw. In de auto zet ik mijn zonnebril op, bind mijn haar in een staart en druk op de knop om het dak van mijn cabrio te openen. In een vloeiende beweging vouwt het dak zichzelf op en verdwijnt achter de achterbank. De radio springt aan als ik de motor start. ‘Feel the love generation,’ klinkt het uit de boxen. Een geluksgevoel stroomt door mijn lijf. Met een grote glimlach om mijn mond rij ik het studioterrein af. Mijn staart danst mee in de wind.

Een half uur later bereik ik mijn bestemming: een groot statig gebouw verscholen tussen de warme herfstkleuren van het bos. Ik parkeer mijn auto en sluit het dak. Binnen loop ik door de lange, steriele gang. Passeer de vele deuren naar onbekende verledens. De naam naast elke deur verraadt hun identiteit. Mijn hart begint sneller te kloppen. Ik versnel mijn pas. Eindelijk bereik ik de laatste deur. Ik duw de klink naar beneden en open de deur. De geur van schoonmaakmiddel en urine wordt verdreven door de herinnering aan vroeger. Ik zie haar zitten. Kijkend uit het raam. Haar stugge grijze haren eenzijdig platgedrukt.
‘Dag lieverd,’ zeg ik gemoedelijk, terwijl ik haar schouder aanraak.
Ze draait zich langzaam om. Haar glazige ogen kijken mij aan. Haar vertrouwde gezicht laat mij ontspannen. Ik neem haar hoofd in mijn handen en geef een kus op haar voorhoofd.
‘Hoe is het vandaag?’ vraag ik haar. Ik zie haar verwarring. Een onzeker vragende blik. ‘Ik ben het, Maura, je kleindochter.’
‘Ach kind,’ zegt haar krakerige stem. ‘Nu zie ik het pas.’ En zij werpt mij een liefdevolle lach toe.

Na een gezamenlijk kopje thee neem ik haar mee naar buiten. De herfstzon tegemoet. Ik duw haar rolstoel over de geasfalteerde looppaden door het bos rondom het tehuis. De rustige omgeving zorgt voor een korte adempauze in mijn drukke leven. De gelukzalige uitdrukking op het gezicht van oma is onbetaalbaar. Bij ons bankje draai ik haar gezicht naar de zon en neem zelf plaats op het bankje.
‘Fijn dat je er bent,’ zegt ze. ‘Dat is lang geleden.’
Ik kijk haar vertederd aan.
‘Ik kom elke week, oma.’
Ze zucht.
‘Mijn geheugen laat mij soms in de steek, Maura. Ik weet het niet altijd meer.’
Ik leg mijn hand op haar hand en knijp er zacht in. In stilte genieten we. Mijn aanwezigheid is genoeg. Als ik zie dat ze het koud begint te krijgen, breng ik haar terug.
‘Blijf je nog even?’ vraagt ze smekend.
‘Ik kom snel weer. Dat beloof ik.’
Na een laatste kus verlaat ik haar kamer. Elke keer een moeilijk moment.

Terug in Amsterdam neem ik de lift naar de zesde verdieping van het appartementencomplex waar ik woon. Terwijl de liftdeuren zich openen en ik een stap zet, bots ik tegen meneer Wiersma op die de lift instapt.
‘Goedemiddag, mevrouw Hofsteijn,’ zegt hij overdreven vriendelijk.
Mijn goede humeur verdwijnt als sneeuw voor de zon. Ik knik kort naar hem. Ik zie hem omdraaien en versnel mijn pas. Met de sleutel in mijn hand bereik ik mijn voordeur. Ik hoor zijn voetstappen dichterbij komen, terwijl ik achter mijn voordeur verdwijn.

2. Bekend gezicht

Met een bonzend hart sluit ik de deur achter mij. Een ogenblik blijf ik leunend tegen de deur staan. Gespitst luister ik naar de geluiden op de gang. De voetstappen komen dichterbij. Ik houd mijn adem in.
‘Maura?’ hoor ik meneer Wiersma door de deur heen zeggen. ‘Ik weet dat je mij hoort.’
Ik ril. Zeg niets. Hij tikt drie keer op de deur. Ik verroer me niet.
‘Maura?’
Dan hoor ik hem weglopen. In de verte herken ik het geluid van de liftdeuren. Ik adem uit en durf in beweging te komen. Met trillende handen draai ik met de sleutel de deur op slot en ren ik naar de andere zijde van mijn appartement. Als ik op het balkon sta, zie ik niet veel later meneer Wiersma beneden de straat inlopen. Ik observeer hem zolang ik hem nog kan herkennen in het straatbeeld, totdat hij wordt opgenomen door de stad. Opgelucht haal ik adem en ga ik terug naar binnen.

Terwijl de coq-au-vin met aardappelpuree en gegrilde groenten van de traiteur door de microstralen van de magnetron worden opgewarmd, open ik mijn mail op de tablet. In één oogopslag scan ik de teksten van mijn personage Vivian voor aankomende week. Met het dampende eten uit de magnetron nestel ik mijzelf op de bank. Hardop dreun ik met tegenzin de teksten tot de telefoon overgaat. Dankbaar pak ik hem op.
‘Miranda!’ zeg ik enthousiast.
‘Mau’tje, gaan we nog vanavond?’
Geen seconde hoef ik na te denken.
‘Natuurlijk! Ik ben er over een uur,’ zeg ik haar toe.

In de bar vult de muziek de ruimte, de dansvloer staat vol. Miranda en ik dansen ons in het zweet. Botsend tegen de andere bewegende lijven om ons heen. Uit volle borst zingen we mee met de opzwepende oude hits uit onze jeugd en daarvoor. Ik geniet.

En opeens zie ik hem staan. Tegen de muur. Zijn ogen op mij gericht. Ik weet het zeker, hij kijkt naar mij. Ik voel zijn ogen branden, terwijl ik doe of ik hem niet zie. Er gloeit bij mij iets diep van binnen. Uiterst bewust van mijn bewegingen dans ik door. Mijn heupen wiegend op de maat van de muziek. Af en toe kijk ik zijn kant op. Zonder zijn houding te veranderen bekijkt hij mij van top tot teen. Zijn gezicht verklapt wat hij denkt.

Miranda buigt haar hoofd naar mij toe en roept iets in mijn oor. De muziek overstemt haar woorden, maar ik kan raden wat ze vraagt.
‘Wijntje,’ articuleer ik, waarna ze verdwijnt tussen de mensen.
Ik herpak mijn dans. Opeens voel ik een hand via mijn zij naar mijn buik. Mijn dansende ritme wordt overgenomen door het lijf achter mij. Even laat ik het bestaan. Daarna draai ik mij om en kijk ik in de mooiste ogen die ik ooit heb gezien. Reebruin. Zijn lach doet mij smelten.
‘Dag schoonheid,’ zegt hij, waarop ik mij naar hem toebuig. ‘Ken ik jou niet ergens van?’
Ik doe mijn uiterste best om hem te verstaan.
‘Wat zeg je?’ vraag ik zo hard mogelijk. Ik trek vragend mijn schouders op. Spreken is zinloos. De muziek is te machtig. Verbaal staakt hij zijn strijd. Onze lichamen voegen zich samen op de maat. Ik ruik zijn mannelijke geur. Een lichte tinteling windt mij op. Ik voel zijn spieren aanspannen onder mijn vingertoppen. De tijd houdt op te bestaan. Ik sluit mijn ogen. Zijn wang tegen de mijne. Langzaam voel ik zijn stoppelige huid zacht schuren over mijn huid richting mijn mond. Voel ik zijn lippen over de mijne strijken. Proef ik zijn tong. Onze beweging verstilt. Alleen onze tongen bewegen. Het is verrukkelijk.

‘Maura?’ schreeuwt Miranda, terwijl ze met twee glazen wijn in haar handen tegen mij aanstoot. ‘Oh, sorry!’ verontschuldigt ze zichzelf.
De onbekende jongen en ik doen een stap bij elkaar vandaan. Betrapt kijk ik naar Miranda. Ze geeft een ondeugend knikje, waarmee ze me zegt dat ik geen rekening hoef te houden met haar. Onze gouden regel. Met mijn blik bedank ik haar.

Ik pak de hand van de jongen vast en samen zoeken we een weg door de mensenmassa. Buiten, waar het op dit nachtelijke uur nog aangenaam aanvoelt voor de tijd van het jaar, lopen we het plein op. We lachen ongemakkelijk naar elkaar. Hij kijkt mij onderzoekend aan.
‘Ken ik jou niet ergens van?’ breekt hij het ijs.
‘Waarvan zou je mij dan kennen?’ vraag ik plagerig.
‘Je hebt zo’n bekend gezicht,’ antwoordt hij.
Ik zeg niets en blijf hem aankijken. Zijn glimlach trekt weg. Hij heeft het gezien.
‘Maar jij bent Maura Hofsteijn,’ roept hij uit.
Ik leg mijn vinger op zijn lippen.
‘Ssssttt, niet verder vertellen.’ En ik geef hem een knipoog. ‘En wie ben jij?’ vraag ik.
‘Mark Stenders,’antwoordt hij. Hij pakt mijn hand en schudt hem rustig op en neer. ‘Aangenaam. Ook in het echt mag je er best wezen.’ We barsten in lachen uit.

Al pratend lopen we door de straten van Amsterdam, totdat Mark stil blijft staan voor een trappetje dat leidt naar een voordeur. Hij kijkt omhoog.
‘Ga je mee?’ vraagt hij.
Ineens zag ik verscholen in zijn bravoure blik een lichte onzekerheid. Ik knik zo verleidelijk mogelijk ja. Deze laat ik niet zomaar gaan.

3. Gestolen

Ietwat weifelend blijft Mark staan voor de voordeur als we de drie treden omhoog hebben genomen. Hij kijkt een kort moment de straat in en reikt vervolgens met zijn arm naar de bovenzijde van de deur. Met zijn vingers voelt hij bovenop het richeltje van de deurpost. Hij pakt er een sleutel vandaan en draait het slot open. We stappen naar binnen. Mark drukt op een schakelaar. Aan het hoge plafond springt een spaarlamp langzaam aan, verscholen achter een spinnenweb. Er hangt een muffe geur in het trappenhuis. Ik doe alsof het mij niet opvalt.
‘Een ogenblikje,’ zegt hij. ‘Ik had niet gerekend op vrouwelijk bezoek. Ik heb vijf minuten nodig.’ Hij rent de trap op en laat mij alleen achter.
Ik kijk rond. Het contrast met de ingang van mijn appartementencomplex kon niet groter. Naast mijn schoenen ligt een hoge stapel post. Ongeopende enveloppen en reclamefolders. Na een paar minuten verschijnt Marks hoofd in het trapgat en nodigt hij mij uit verder te komen.

Op de eerste verdieping gaan we een deur in. Een kamer. Meer is het niet. Er staat een tweepersoonsbed, een stoel, een kast en een geïmproviseerd keukenblokje. Hoewel het interieur zijn langste tijd heeft gehad, is het er opgeruimd.
‘Ga zitten,’ zegt Mark, terwijl hij naar het bed wijst.
Ik leg mijn handtas op het bed.
‘Ik zou je graag iets willen aanbieden, maar ik heb niets in huis,’ zegt Mark verontschuldigend.
‘Jij bent er toch,’ zeg ik ondeugend. Ik stap zelfverzekerd op hem af en kus hem. Hij kust mij terug. Met zijn handen pakt hij mijn billen vast en drukt mij tegen zich aan. Ik laat mij zakken op het bed en schuif een stuk naar achteren. Mark kruipt over mij heen en kust mij opnieuw. Voorzichtig raken onze tongen elkaar. Zacht en liefdevol. Zijn tong vervolgt zijn ontdekkingstocht langs mijn lippen, mijn kin, mijn hals. Met gesloten ogen laat ik mij beminnen.

Ineens gaat Mark rechtop zitten en kijkt me aan.
‘Niet te geloven dat je hier bent,’ fluistert hij.
Mijn opwinding sterft weg.
‘Wat zeg je?’ vraag ik.
Hij schrikt van mijn reactie. Peilend kijk ik hem aan. Sinds ik drie jaar terug ben begonnen als actrice bij Voor- en Tegenspoed en dagelijks op televisie ben, heb ik mijn voelsprieten noodgedwongen moeten trainen voor dit soort situaties. Gaat het om mij als persoon of om mijn bekendheid? Mark ziet wat ik denk.
‘Zo’n mooie meid als jij, bedoel ik,’ stamelt hij.
Ik hou mijn mond, wachtend tot het moment dat hij zichzelf heeft vastgedraaid in zijn eigen verhaal.
‘Ik ken je eigenlijk niet. Natuurlijk heb ik je wel eens voorbij zien komen en ken ik je naam. Maar daar is ook alles mee gezegd.’ Hij lijkt geloofwaardig. Ik begin te twijfelen. Het klinkt oprecht. ‘Je viel me op in de bar,’ gaat hij door, ‘Je schoonheid. Je uitstraling. Ik vind je leuk. Zo simpel is het, Maura.’
Ik kijk hem aan. Ik wil mijn angst niet vooropstellen, maar ben al te vaak teleurgesteld. Ik gun hem, en daarmee mijzelf, het liefst het voordeel van de twijfel.
‘Ik jou ook,’ zeg ik zacht.
We vallen beiden stil.
‘Ik denk dat het beter is als ik naar huis ga,’ zeg ik bedremmeld. Ik zie de deceptie in zijn ogen.
‘Zie ik je nog eens?’ vraagt hij op gedempte toon.
‘Ik weet je te vinden,’ zeg ik.
Ik draai mij om en loop de kamer uit, de trap af, de voordeur uit. Een schelle fluittoon doet mij omkijken. Ik zoek de herkomst van het geluid en zie Mark iets uit het raam gooien vanaf de eerste verdieping. Met een gracieuze boog landt een papieren vliegtuigje enkele meters voor mij. Ik pak het op en vouw het open.

Lieve Maura,
Weet dat je bij mij veilig bent.
Heb vertrouwen.

Onderaan het papier staat zijn naam met telefoonnummer. De warmte van prille liefde graaft zich een weg in mijn onderbuik. Ik kijk opnieuw naar het raam waar het vliegtuigje vandaan is gekomen. Het is gesloten. Mark is niet meer te zien. Stevig houd ik het vliegtuigje vast en dromerig vervolg ik mijn weg naar huis.

Tien minuten later sta ik voor mijn appartementencomplex en wil ik mijn tas pakken. Mijn hart slaat een slag over. Mijn tas! In een flits herinner ik mij dat ik hem op het bed van Mark heb neergelegd. Wat een afgang! Er zit niets anders op dan om te draaien en terug te gaan naar zijn kamer.

Niet veel later sta ik voor zijn huis. Ik druk op de bel, maar hoor geen geluid. Zo hard mogelijk klop ik op de deur en wacht. Er gebeurt niets. Ik ga de traptreden af en vergroot mijn afstand tot het pand, zodat ik Marks raam kan zien. Het is er donker.
‘Mark!’ roep ik. ‘Mark!’ probeer ik nogmaals harder. Tevergeefs. Mark hoort mij niet. Ik betreed opnieuw het trapje en reik met mijn hand naar de bovenkant van de deur. Ik voel de sleutel.
‘Hallo?’ zegt iemand achter mij. Van schrik draai ik mij om. ‘Zoekt u iets?’ Een man van een jaar of veertig staat onderaan het trappetje.
‘Ik ben op zoek naar Mark. Hij heeft mijn tas,’ leg ik uit. Een vragende blik komt mijn kant op.
‘Dan bent u verkeerd. Hier woont geen Mark.’
Verward excuseer ik mij, loop de trap af en verdwijn uit het zicht van de man.

4. Onbereikbaar

Dolend door de straten van Amsterdam in het holst van de nacht zonder sleutels en telefoon besluit ik te kijken of Miranda al thuis is. Ik bel aan en tot mijn grote opluchting opent ze de deur.
‘Mau! Wat doe jij hier? Kom binnen!’ roept Miranda uit als zij mij verkleumd ziet staan. Binnen biedt ze mij een grote mok warme thee aan, die ik dankbaar aanneem. Gierend van de lach vertel ik haar mijn anekdotische blunder.
‘Kom lekker hier slapen. Mijn bed is ruim genoeg,’ zegt Miranda. ‘Dan vinden we morgen wel een oplossing om je huis in te komen.’ En zo kruip ik niet veel later naast Miranda in bed. Vermoeid val ik binnen enkele minuten in slaap.

De volgende morgen open ik het papieren vliegtuigje en toets het nummer van Mark in op de telefoon van Miranda.
‘Met Maura, van vannacht,’ zeg ik als ik Mark zijn stem hoor.
‘Maura’, zegt hij geschrokken. ‘Ik heb je de hele nacht gezocht!’ De toon in zijn stem geeft mij een onbehaaglijk gevoel.
‘Geen zorgen,’ probeer ik hem gerust te stellen, ‘Miranda, die vriendin uit de bar, heeft mij onderdak geboden.’
‘Dat is het niet, Maura. Ik ben je nog achterna gerend toen ik je tas zag liggen, maar ik kon je nergens meer vinden. Je telefoon bleef maar overgaan. Na de zoveelste keer heb ik maar opgenomen. Iemand zocht je en moest je dringend spreken.’
Miranda ziet mijn zorgelijke gezichtsuitdrukking en kijkt me vragend aan.
‘Wie?’ vraag ik aarzelend.
‘Een mevrouw van een verzorgingstehuis. Het ging over je oma.’
Ik voel mijn keel verdikken en mijn ademhaling versnellen. Ik durf het amper te vragen, maar ik moet het weten.
‘Wat zei ze?’
‘Dat mocht ze mij niet vertellen, maar ik moest je met klem zeggen om direct te komen. Ik vond je adres in je portemonnee. Ik sta al uren op je te wachten.’
Ik wil geen seconde verspillen.
‘Blijf daar. Ik kom er nu aan,’ gebied ik hem.

Zonder Miranda de situatie uit te leggen ren ik haar huis uit. Als een wedstrijdloper bereik ik in recordtijd het complex waar ik woon. Ik zie Mark zitten tegen de glazen pui van de ingang.
‘Mijn telefoon!’, gil ik buiten adem naar hem.
Hij overhandigt mij de telefoon.
Bevend zoek ik het nummer op en bel naar het tehuis.
‘Huize Boshoeve, waarmee kan ik u helpen?’ Ik probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen.
‘Met Maura Hofsteijn, ik ben gebeld over mijn oma, mevrouw Loohorst,’ weet ik eruit te persen.
‘Mevrouw Hofsteijn, uw oma is vannacht met spoed opgenomen in het AMC. Ze heeft een hersenbloeding gehad.’
De opgebouwde spanning tijdens het rennen komt er in één keer uit. Ik huil met de telefoon aan mijn oor.
‘Oh nee, hoe is het met haar?’, vraag ik tussen mijn snikken door.
‘Dat weet ik niet. Ik raad u aan om direct naar het AMC te gaan.’
Ik trek mijn tas uit Marks handen en ren weg richting de parkeergarage. Met volle vaart race ik naar het AMC. Bij de balie is het druk. Ik schuif mezelf naar voren en duw een vrouw aan de kant die met de receptioniste praat. Ze kijkt me boos aan.
‘Sorry, het is dringend. Waar kan ik mevrouw Loohorst vinden?’
‘Niet te geloven! Maura Hofsteijn,’ roept de receptioniste uit als ze mij herkent. Ik hoor meer mensen om mij heen reageren.
‘Alstublieft,’ zeg ik in paniek, ‘zegt u mij waar ik mijn oma kan vinden.’
De receptioniste weet haar professionaliteit te hervinden en kijkt in de computer. ‘Mevrouw Loohorst ligt op de IC, bouwdeel G, derde etage. Meldt u zich daar aan de balie.’

Gedesoriënteerd ren ik verder op zoek naar borden die mij de weg wijzen naar mijn oma. De tranen stromen over mijn wangen van paniek als ik eindelijk de juiste plek vind. Opnieuw stort ik mijzelf over de balie en vraag naar mijn oma.
‘Neemt u plaats. Er komt iemand bij u,’ zegt de verpleger achter de desk, terwijl hij mij gadeslaat.
Ik merk het nauwelijks op. Zenuwachtig neem ik plaats op een stoel en sla mijn handen voor mijn gezicht. Nog steeds heb ik geen idee hoe het met mijn oma is.

‘Mevrouw Hofsteijn,’ hoor ik vanuit het niets. Een arts staat naast mij en steekt zijn hand uit. Ik schud zijn hand en kijk hem vragend aan. ‘De toestand van uw oma is kritiek. Als u wilt, mag u bij haar.’
Ik knik.
De arts gaat mij voor en ik volg hem, terwijl zijn woorden in mijn hoofd nagalmen. Hij opent een deur. Meteen zie ik haar liggen. Dit is niet goed, schiet het door mij heen. In enkele stappen sta ik naast haar. Ik pak haar hand vast en voel het infuus. Een slangetje loopt horizontaal over haar gezicht en voorziet haar neus van zuurstof. Ik buig me over haar heen.
‘Oma,’ zeg ik zacht, ‘ik ben er.’
Langzaam opent ze haar ogen. Ze kijkt me doordringend aan.
‘Rustig maar, het is goed, oma.’
Ik zie haar ogen vochtig worden. Ik leg mijn hand op haar gezicht en streel haar wang.
‘Ik blijf bij u.’
Haar ogen draaien weg. Ik kijk om en zie de arts achter mij staan. Hij geeft een kort knikje en begrijp dat ik met hem mee moet lopen.
‘Ik ben zo terug, oma,’ zeg ik en ik knijp kort in haar hand. Ze reageert niet.

‘Mevrouw Hofsteijn, uw oma heeft een hersenbloeding gehad vannacht. We hebben begrepen dat zij al ernstig aan het dementeren was.’
Ik knik bevestigend.
‘Op de scan die wij bij binnenkomst vannacht hebben gemaakt van het hoofd van mevrouw, hebben wij geconstateerd dat uw oma een subarachnoïdale bloeding heeft gehad, een bloeding in de ruimte tussen de hersenvliezen. In combinatie met de hoge leeftijd van uw oma en de mate van de bloeding, moet ik u helaas meedelen dat uw oma stervende is. Het spijt me.’
Ik kijk weg. Ik wist dat dit moment eraan zat te komen. Sinds de dood van mijn opa vier jaar geleden, was mijn oma hard achteruitgegaan. Maar het besef dat dit definitief het einde is, komt als een mokerslag aan. Stilletjes begin ik te huilen, verstopt achter mijn hand. De eenzaamheid die vulkanisch omhoogkomt, brandt een gat in mijn hart.

Terug bij oma op de kamer ga ik naast haar zitten op een stoel. Met een hand op haar arm. Hopend dat ze mijn aanwezigheid merkt. Urenlang wijk ik niet van haar zijde. Verpleegkundigen komen af en aan om oma te controleren of mij te ondersteunen. Ze houden mij op de hoogte van de voortgang, die in wezen een achteruitgang is.

‘Het duurt niet lang meer,’ zegt een jonge verpleegster die al meerdere keren langs is geweest. Ze klopt mij bemoedigend op mijn schouder.
Zo nu en dan rolt er een traan over mijn wang. Ik hoor de ademhaling van oma onregelmatig worden. Ik kijk naar haar gezicht. Zo vertrouwd.
‘Liefste oma,’ begin ik, ‘dank u wel voor alles. U werd mijn moeder toen mama stierf. We zeiden het nooit tegen elkaar, maar ik wil het u graag zeggen: ik hou van u.’
Haar gesloten ogenleden springen open. Ze kijkt me aan met een onbekende blik. Ze beweegt haar lippen. Er komt geen geluid.
‘Ik zal u nooit vergeten,’ zeg ik met onvaste stem.
Ze tilt haar arm op, raakt met haar hand mijn gezicht.
‘Elvira,’ fluistert ze. Ik versteen, terwijl al het bloed uit mijn gezicht wegtrekt.

De literaire thriller ‘De schaduw van Elvira’ is hier te koop als paperback en Ebook en via iedere boekhandel in Nederland en België.

About