Beet_voor

Beet – paperback

5.00 van 5
(1 klant review)

€19,99

Ook verkrijgbaar bij iedere boekhandel.

Bestel de roman 'Beet' als paperback.
Levertijd: voor 12.00 uur besteld, 1 werkdag.
Verzendkosten: gratis

Lees de eerste drie hoofdstukken van Beet.

Druk: eerste
Bindwijze: paperback
Aantal pagina's: 287

Liever een Ebook: klik hier.

Beknopte inhoud:
Als de baby sterft in Marjoleins buik, sleept Elise haar door de inktzwarte rouw. Het verdiept hun intense liefde. De ziekte van Lyme waar Elise al jaren tegen vecht, verdwijnt naar de achtergrond. Met het aandienen van een nieuwe zwangerschap lijkt het geluk eindelijk aan hun kant te staan. Maar terwijl Marjoleins buik groeit, slaat bij Elise de Lyme opnieuw toe en blijkt de zwaarste strijd nog niet te zijn gestreden.

Sietske Scholten is een Nederlandse schrijfster die bekend staat om haar meeslepende verhalen die zij tot nu toe vormgaf in haar literaire thrillers. Met de roman 'Beet' doorbreekt ze haar genre en raakt ze de thema's waar ze twee jaar eerder in haar privéleven mee worstelde.

'De vlotte schrijfstijl van Sietske Scholten trekt de lezer mee in een ontroerende romance, waarin de personages de grenzen ontdekken van hun liefdesrelatie en uiteindelijk met het leven zelf.'

'Een achtbaan van emoties neemt je mee in het geluk en verdriet van een pril gezin. Tranen over mijn wangen. Zo mooi geschreven.'

Lees de eerste drie hoofdstukken hieronder in het tabblad of bekijk deze hoofdstukken als PDF (vormgeving boek).

1 review voor Beet – paperback

  1. Therry Tieben
    5 van 5

    :

    Het is een fantastisch boek met een zeer aangrijpend verhaal. Ik heb het boek regelmatig even weg moeten leggen. De emoties zijn zo voelbaar in dit boek dat ik regelmatig met tranen in mijn ogen zat. Sietske is een fantastische schrijfster. Al haar boeken zijn geweldig. Haar boeken horen naast de grote schrijfster van Nederland in de winkels te liggen.
    Ik kijk heel erg uit naar je volgende boek.

Een review toevoegen

1.

Diep verscholen tussen de bladeren van het struikgewas hield hij zich vast. Turend door het loof dat hem uitzicht gaf op het verlaten bospad. Het bladerdak boven hem bood enige weerstand tegen de brandende zon aan de strakblauwe hemel. De aanhoudende hitte van de afgelopen dagen had hem dorstig gemaakt. Langer onderdrukken was onmogelijk. De tijd drong. Ongeduldig keek hij uit naar de eerstvolgende passant. Een nietsvermoedend slachtoffer dat zijn honger zou stillen. Hij trok zich verder terug in de schaduw, terwijl de bladeren van het struikgewas die hem bedekten, dansten op de golven van de wind.

Hij veerde op bij het horen van de stemmen van een groep wandelaars in de verte. Onbezorgd naderden ze hem, zich niet van hem bewust. Even twijfelde hij of zijn schuilplaats hem tot het laatste moment voldoende dekking zou geven, maar een blik om zich heen gaf hem de geruststelling dat ze hem niet konden zien. De afstand werd kleiner en de groep duidelijker zichtbaar. Met toegeknepen ogen koos hij het slachtoffer dat het minst was bedekt door kleding. Het jonge vlees, slechts gehuld in een shirt met korte mouwen, een korte broek, sokken en stevige wandelschoenen, naderde het onzichtbare gevaar met grote passen. Hij bestudeerde zijn doelwit en berekende nauwkeurig op welk moment hij moest toeslaan om zijn prooi te kunnen grijpen. Deze poging zou slagen. Hij voelde het.

Volledig geconcentreerd ging hij klaarstaan. Nog drie meter, twee meter, één meter. Nu! Hij liet los. De zwaartekracht hielp hem de laatste centimeters tot zijn slachtoffer te overbruggen. Met een ongemerkte plof kwam hij terecht op de plek die hij had ingecalculeerd. Behendig greep hij zich vast en vervolgde zijn weg op zoek naar de juiste locatie. De deining maakte het moeilijker, maar zeker niet onmogelijk. Zijn doelwit had niets in de gaten. Eindelijk bereikte hij de rand waar het licht overging in duisternis. Hij rook de opwindende geur van huid. Het warme vlees waaronder het bloed rijkelijk stroomde. Met zijn mond raakte hij het vel, beet zich vast en zoog zich vacuüm. De verankering was een feit. Het is gelukt! dacht hij jubelend en hij voelde hoe het bloed van de getroffene zijn lichaam in stroomde. Een zucht van verlichting ontsnapte hem. In de goede hoop niet ontdekt te worden restte hem de komende uren enkel parasiterend genot.

Elise had niets gevoeld van de aanval en de beet die erop volgde. Sterker nog, ze had niet eens gehoord van zijn bestaan en het gevaar dat in hem schuilging. Schaterlachend om de verhalen van haar dierbaarste vrienden liep ze onbekommerd verder door het bos. En terwijl ze haar spieren sterkte om over een paar weken vier dagen lang veertig kilometer per dag te lopen tijdens de Nijmeegse Vierdaagse, zat er op haar lichaam iets dat ervoor zou zorgen dat de komende jaren alles in haar werd ontregeld, afgebroken en kapotgemaakt. Haar levensloop was met ongeluk besmet.

‘Volgende week zondag weer?’ vroeg Niels, toen ze de auto’s bereikten. ‘Wij zijn weer van de partij, toch Maria?’ vroeg Luuk, terwijl hij zijn vriendin aankeek. Ze knikte kort naar hem en gaf Elise drie zoenen op haar wang. ‘Ben jij er ook volgende week, Elise?’ vroeg Maria. ‘Natuurlijk.’ ‘Laten we dan aansluitend bij ons gaan barbecueën,’ stelde Janneke voor. ‘Onze buitenkeuken wordt deze week geïnstalleerd. Kunnen we hem meteen inwijden, Niels.’ ‘Dan zorgen Maria en ik voor bier en wijn,’ zei Luuk. ‘En Jaap mag niet ontbreken, Elise. Zeg tegen hem dat hij zijn racefiets voor een keer moet laten staan,’ riep Luuk, die de achterklep van zijn auto opentrok. ‘Ik zal het zeggen. Tot volgende week,’ antwoordde Elise.

Ze liet zich in de bestuurdersstoel zakken van haar eigen auto en trok de deur dicht. Vermoeid door de wandeltocht masseerde ze haar kuiten tegen de kramp. In haar achteruitkijkspiegel zag ze de auto van Niels en Janneke wegrijden van de parkeerplaats. Het zand stoof omhoog door de draaiende wielen. Het had al dagen niet geregend. Elise startte de motor van haar auto en claxonneerde naar Maria en Luuk, die naast hun geopende achterklep hun zanderige wandelschoenen inwisselden voor gemakkelijkere schoenen. Ze reed haar auto achteruit en ging het bospad op, de auto van Niels en Janneke achterna. Binnen enkele kilometers verruilde ze de zanderige bosweg voor het asfalt van de snelweg. Niels en Janneke waren uit het zicht verdwenen. Elise zette de airco hoger om de warmte te verdrijven en verzonk in gedachten over de naderende drukke werkweek. Na een klein half uur zag ze in de verte Deventer liggen. Nog even en ze was thuis.

Het huis was leeg. Jaap was nog niet terug. Ze liep de trap op en trok tegelijkertijd haar shirt uit, vouwde haar armen achter haar rug, maakte haar bh los en liet hem vallen op de vloer van de overloop. In haar slaapkamer schopte ze haar wandelschoenen uit en stroopte ze haar sokken af. De knopen van de gulp van haar afritsbroek haalde ze in één beweging open en ze liet hem langs haar slanke benen naar beneden glijden. Haar onderbroek liet ze volgen. Bij het passeren van de antieke passpiegel ving ze gedachteloos een glimp op van haar naakte lichaam. In de badkamer zette ze de douche aan. Ze draaide aan de mengknoppen tot het water een aangename temperatuur had bereikt. Voorzichtig stapte ze onder de straal en voelde het warme water langs haar lichaam glijden. Een genoegdoening na een flinke training. Haar spieren ontspanden.
Behoedzaam kneep Elise de vloeibare zeep uit de tube en smeerde die op haar washand. Met ruwe halen schrobde ze de restanten van het bos van haar lijf. De teek in haar lies boorde zich met zijn kop dieper in haar huid om de kracht van de washand te weerstaan. De dikke badstof waarmee ze haar hand omhulde, belette haar om de onregelmatigheid op haar huid te voelen.

In de uren die volgden, groeide het lichaam van de teek explosief door het bloed van Elise dat hem vulde. Maar zelfs in volgezogen toestand was hij niet veel groter dan een centimeter. Elise merkte hem niet op. Vijf dagen later liet hij zich voldaan los. Niets zichtbaars op de plek van de beet duidde op het bezoek dat Elise ongewild had ontvangen. Er was geen enkel teken dat haar had kunnen vertellen dat haar ongenode gast een allesvernietigend souvenir had achtergelaten. De Borrelia ­bacterie had zich in een moordend tempo vermenigvuldigd rondom de aangedane plek. Gemaskeerd door een laagje eiwit waarmee de spiraalvormige bacterie zichzelf had omhuld, had hij zich laten meevoeren in de bloedbaan van Elise zonder dat haar immuunsysteem ook maar iets in de gaten had. De indringers hadden zich vastgegrepen aan de zwevende rode bloedcellen, lieten zich meevoeren naar alle uithoeken van haar lichaam en boorden zich diep in haar celweefsel, waar ze zich oprolden om zich te verstoppen tot Elises weerstand zou afnemen en ze konden toeslaan om haar leven te ontwrichten.

Ik kende Elise toen nog niet. Ik kon haar niet behoeden voor deze gebeurtenis. Al zou ik er alles voor over hebben om die uit haar leven te wissen. Het zou haar leven hebben gespaard.

2.

De sfeerverlichting in de kale takken van de hoge bomen op het plein doen een poging romantiek te brengen in het woeste weer. De wind rukt fel aan de paraplu die ik met één hand omklem, en met mijn vrije hand stuur ik mijn fiets over de Brink. Mijn warme winterjas beschermt mijn zwangere lijf tegen de stormachtige novemberkou. Ik rem af voor het Koekhuisje, waar ik mijn fiets gehaast een kwartslag draai en positioneer tegen het ijzeren hekwerk voor het lage raampje. De metalen stang van de paraplu klem ik tussen mijn schouder en kin, terwijl ik met twee handen mijn fiets met een kabelslot vastketen aan het hek. Ineens grijpt een rukwind mijn paraplu en neemt hem meters mee de lucht in. Shit. Binnen enkele seconden tekenen natte lange slierten haar de contouren van mijn gezicht. Ik zucht en kijk op mijn horloge. Er is geen tijd voor frustratie over mijn verzopen aanblik. Ik pak de paraplu op van de grond. Het doek is gescheurd, constateer ik geërgerd. Ik duw hem in een prullenbak die ik bij het oversteken van de Brink passeer. Een bliksemschicht vindt zijn weg door de lucht en ik versnel mijn pas richting de ingang van Baristo.

Verregend stap ik over de drempel van het café. De donder buldert als de deur achter mij dichtvalt. Ik kijk om mij heen. Op enkele bezette tafeltjes na is het leeg op deze zondagavond. Waar is ze? De zenuwen gieren door mijn lijf, terwijl mijn kind woelt in mijn schoot. En dan herken ik haar van de foto. Achterin op een loungebank kijkt ze naar mij met een vragende blik. Ze staat op als ik naar haar toe loop en zet een paar stappen in mijn richting. Haar bril met markant montuur is beslagen aan de neuszijde, maar haar grijsgroene ogen achter het glas trekken mijn aandacht. Haar oogleden zijn subtiel opgemaakt. Bruine oogschaduw. Een lijntje oogpotlood. Mascara. Haar lippen gestift in een onopvallende kleur. Haar lange haar opgestoken met enkele loshangende dwarse piekjes. Ze draagt cognacbruine leren laarzen met hoge hak. Het leer eindigt vlak onder haar knie, waar haar glanzende huidkleurige panty zichtbaar wordt. Een lange zwarte getailleerde jas complimenteert haar gezette figuur. Ik glimlach naar haar. ‘Marjolein?’ zegt ze met lichte stem. ‘Dan moet jij Elise zijn,’ zeg ik met gepretendeerde zelfverzekerdheid. Ze steekt haar hand uit en ik voel haar zachte huid onder mijn vingertoppen als ik haar voor het eerst aanraak. Ze pakt haar bijpassende cognacbruine leren tas op van de bank, neemt plaats en richt haar blik op de lege plek naast haar. ‘Kom lekker zitten.’ Onwennig doe ik wat ze vraagt. ‘Wat een weer, hé? Ben je een beetje droog overgekomen?’ Ogenblikkelijk bespeur ik een zachte g. ‘Mijn paraplu vloog weg,’ zeg ik lachend om mijn verregende uiterlijk te verklaren. Ze lacht met mij mee en observeert mijn haar. ‘Het valt best mee,’ zegt ze bemoedigend. In haar lieflijke ogen zoek ik naar herkenningspunten van de persoon aan wie ik mij de afgelopen dagen op internet heb blootgegeven.

We bestellen twee cappuccino’s en beginnen aftastend ons gesprek. De herkomst van haar accent definieert ze als ze vertelt dat ze in Noord­Brabant is opgegroeid. Na het afronden van haar studie Psychologie verhuisde ze met haar toenmalige geliefde Jaap naar Deventer. Inmiddels is dat zestien jaar geleden. ‘We betrokken een piepklein appartement in de Spijkerboorsteeg.’ ‘De Spijkerboorsteeg!’ roep ik verrast. ‘Ik heb één straat verderop gewoond. In de Grote Overstraat!’ ‘Wanneer?’ ‘Even denken …’ Ik gooi mijn hoofd in mijn nek. ‘Bianca en ik kwamen er in 2004 wonen.’ ‘Jaap en ik verhuisden in 2000 naar de Sint Jurrienstraat.’ Hoewel de jaartallen niet gelijk zijn, verbazen we ons over de parallellen. ‘Misschien hebben we ooit wel eens achter elkaar in de rij gestaan voor een kassa,’ zegt Elise. ‘Ja! Of zat ik aan het tafeltje naast je op een terras. Raar idee, hè?’ Langzaam schuiven we dichter naar elkaar toe op de loungebank en met het verdwijnen van de fysieke afstand verdiepen onze gespreksonderwerpen zich. Binnen een uur voelt het alsof we elkaar al lang kennen.

“You see her when you close your eyes”, hoor ik de muziek van Passenger de ruimte vullen als het gesprek stilvalt. Elises veelbetekenende blik doet me gissen naar haar gedachten. ‘Wat vind je van me?’ vraagt ze gedurfd. Mijn wangen beginnen te gloeien. ‘Ik vind je leuk,’ stamel ik. En ik kijk weg in een poging mijn kwetsbaarheid te beschermen. ‘Je maakt me verlegen, Elise.’ Langzaam sla ik mijn ogen naar haar op. Mijn lichaam tintelt als we oogcontact maken. ‘Ik zou je graag willen zoenen, Marjolein.’ Zonder mijn hoofd te draaien kijk ik om mij heen. Alle aanwezigen zijn geanimeerd in gesprek. Niemand let op ons. De spanning neemt toe, maar ik durf niet. ‘Niet hier,’ fluister ik. Met mijn hand raak ik haar hand aan en onze vingers strengelen zich in elkaar. We praten verder, terwijl de ruimte tussen onze lichamen zich vermindert van centimeters naar millimeters tot onze bovenbenen elkaar raken. Elise legt haar arm om mij heen. Het voelt goed. Heel goed.

‘Wil je mijn huis zien?’ stelt ze voor. Ik glimlach en knik. Ik zou graag willen zien hoe ze woont, maar liever nog zou ik haar willen vasthouden. Haar lippen willen kussen. ‘Leuk,’ zeg ik enthousiast en we rekenen af. De regen valt onophoudelijk en Elise opent haar paraplu. Ik haak mijn arm in die van haar en samen lopen we al pratend via de Brink door de oude straten van het centrum. Bij een doorgang blijft ze staan. Trots wijst ze naar haar middeleeuwse bovenwoning boven de poort. Ik kijk naar de kozijnen waarachter haar huis schuilgaat. Jarenlang fietste ik hier onnadenkend onderdoor. Onze levens raakten elkaar bijna. Hoe vaak zijn we elkaar gepasseerd? Zonder elkaar te zien. Zonder elkaar te kennen. Elise opent haar voordeur voor mij en ik stap in een smalle gang met een hoge trap. ‘Mijn woonkamer is boven.’ Ze gaat me voor de trap op.

Ik kom terecht in een uitzonderlijk en onverwacht grote woonkamer. Stijlvolle meubels vullen de ruimte. Een prachtige witte buffetkast met een veelheid aan vakjes en laatjes vangt mijn blik. De inrichting is smaakvol. De brocante schatten die Elise in de loop der jaren heeft verzameld, zijn zorgvuldig geplaatst. Windlichten, kandelaren, vazen, decoratieve kopen­schotels, krukjes, kussentjes, tijdschriftbakken, leren notitieblokjes, suikerpotjes. De materialen, vormen, texturen en kleuren, alles past bij elkaar. ‘Hoe vind je het?’ vraagt ze trots. ‘Prachtig. Je hebt talent voor styling.’ Elise glimt. ‘Eén verdieping hoger zijn mijn badkamer en slaapkamer. Wil je die ook zien?’ ‘Graag,’ zeg ik en de spanning in mijn buik neemt toe, terwijl we naar de zolder gaan.

Haar slaapkamer kan, net als haar woonkamer, een decor zijn in een woontijdschrift. Voor de antieke passpiegel, haar pronkstuk, blijft Elise staan en ze wijst mij op de subtiele details van het houtwerk. Ik luister half. Het onmetelijke verlangen om Elise aan te raken overschreeuwt elk woord. Ik buig mij naar haar toe. Elise kijkt mij aan en stopt met praten. Mijn hand raakt haar wang. Haar perzikzachte huid. Ik ruik haar zoete parfum als mijn lippen haar mond naderen. En dan, eindelijk, kus ik haar. Langzaam, liefdevol, teder vinden onze tongen elkaar. De ervaring is intens. Onze eerste kus. Elise legt haar armen om mijn middel en trekt mij dichter naar zich toe. Mijn dikke buik, met mijn dochter spartelend in het vruchtwater, raakt haar buik. Ik zou willen dat dit moment nooit eindigt. Ik voel me compleet. Zonder het te weten heb ik Elise altijd gemist. Het gevoel overvalt me en maakt me emotioneel. ‘Ik wil niet meer weg,’ fluister ik, terwijl de tranen achter mijn ogen branden. Alles valt op zijn plek. ‘Blijf bij me,’ zeg ik in paniek, als ik mij bedenk dat ik haar los moet laten. ‘Kom met mij mee naar huis, Elise. Blijf bij mij slapen.’ Maar in haar ogen zie ik angst. Het is te snel. ‘Ik kom morgen uit mijn werk meteen naar je toe.’ ‘Maar misschien voelt het morgen anders.’ ‘Dat komt wel goed, Marjolein. We hebben elkaar gevonden,’ zegt ze kalm en sterk. Het stelt me gerust en geeft mij vertrouwen. Na een laatste omhelzing loop ik de trap af en kijk ik haar nog één keer aan. ‘Tot morgen, Elise.’ ‘Tot morgen, Marjolein.’

Dan sluit ik de deur achter mij en ik loop terug naar mijn fiets op de Brink. De regendruppels die mijn gezicht verkoelen, merk ik niet op. Diep in gedachten verzonken fiets ik naar huis. In mijn buik wordt volop gefladderd. Niet alleen het kleine meisje dat groeit in mijn schoot en levendig laat merken dat ze bestaat, maar ook de vlinders worden sterker. Mijn nieuwe leven is begonnen. Mijn leven met Elise.

3.

Vanaf dat moment kan ik enkel aan Elise denken. Onze ontmoeting voelt volmaakt, als de kiem van een rijke aanvulling op het leven dat ik leid samen met mijn tweejarige zoon Valentijn en mijn dochter op komst. Slechts een jaar is er voorbijgegaan sinds mijn scheiding van Bianca. Na Valentijns eerste verjaardag pakte Bianca haar koffers en brak mijn hart. Met onze zoon op mijn arm stond ik in de erker van onze jarendertigwoning en zag Bianca de straat uitrijden. Onophoudelijk stroomden mijn tranen. Hoe moest ik verder? Ik worstelde mij door het verdriet en rechtte mijn rug. In een vlaag van verlangen naar romantiek maakte ik maanden later een profiel aan op een datingsite, waarop Elise vier dagen geleden reageerde. Mijn telefoon had gezoemd door het inkomende bericht en nieuwsgierig tikte ik met mijn vinger op de profielfoto van de stralende vrouw die vriendelijk in de lens keek, waarna het profiel van Elise zich ontvouwde. Vluchtig vlogen mijn ogen over de tekst. ‘Psycholoog, wens om moeder te worden, levensgenieter, terrasje pakken, passie voor huisstyling, Riverdale, bloesem aan de bomen, leuke man …’ Leuke man? Teleurgesteld had ik haar bericht beantwoord. ‘Volgens mij ben ik niet de persoon naar wie je op zoek bent. Ik ben namelijk een vrouw. Jammer, want je profiel spreekt mij aan.’ Binnen enkele minuten kreeg ik een reactie terug. ‘Ik weet dat je een vrouw bent. Ik heb wel degelijk op jouw profiel gereageerd.’

Ik kijk door het raam van de erker naar de zilveren New Beetle die een parkeerhaven inrijdt. Elise stapt uit en ik realiseer mij dat ik haar nauwelijks ken. De intimiteit die ik gisteravond voelde, heeft plaatsgemaakt voor spanning. Onzeker vraag ik mij af of we elkaar opnieuw zullen vinden. Ik loop naar de gang en open de deur voor haar. Enthousiast en zonder reserves begroet ze mij met een kus. Ik ruik haar geur en haal diep adem om het extra lang vast te kunnen houden. ‘Wat heb je een schitterende hal,’ zegt ze als ze mij loslaat en om zich heen kijkt. ‘Dank je.’ Nerveus probeer ik mijzelf een houding te geven en leun ongemakkelijk tegen de witgelakte houten trap. Ze lacht naar me. Wat is ze mooi, denk ik, terwijl ik haar stiekem in mij opneem.

Onvast op mijn hakken leid ik haar naar de woonkamer. ‘Wil je wat drinken? Thee, koffie of een cappuccino? Of wil je misschien wat anders?’ ratel ik. ‘Cappuccino graag,’ antwoordt ze en ze volgt mij de keuken in. ‘Bijzondere combinatie,’ zegt Elise als ze de bonte verzameling tegels tegen de wand in de keuken bekijkt. ‘Het waren samples. Bianca en ik hielden toentertijd van kleurrijk.’ Ik trek de koelkast open, haal de melk eruit en schenk die in een steelpannetje. ‘Hoe was het op je werk?’ Terwijl Elise begint te vertellen over haar dag, klop ik met het opschuimertje de warmer wordende melk op. ‘Met één cliënt sloot ik vandaag de therapie af. Sinds de dood van haar man liep ze al jaren verschillende psychologen af. Ze had onterecht het gevoel dat ze hem had kunnen redden. Twee maanden geleden kwam ze terecht in mijn caseload. Al snel startten we met EMDR en na slechts vier sessies had ze haar trauma verwerkt.’ Ik kijk haar niet begrijpend aan. ‘EMDR? Nog nooit van gehoord.’ Ze lacht. Uit haar blik maak ik op dat we een onderwerp hebben aangeboord waar ze graag over praat. ‘EMDR staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing,’ zegt ze in één adem zonder hapering. ‘Psychotrauma’s, of ze nou groot of klein zijn, kunnen door middel van deze therapie vrij snel worden verwerkt.’ ‘Interessant,’ zeg ik oprecht geïnteresseerd. ‘Hoe werkt het dan?’ ‘Samen met mij maakt de cliënt een plaatje van het trauma, één stilstaand beeld, en neemt het in gedachte. Dan doe ik dit.’ En ze zwaait met haar vingers voor mijn ogen. Ik grinnik verbaasd door de onverwachtse beweging. ‘Kijk naar mijn vingers.’ Met mijn hele hoofd volg ik haar handeling, terwijl ik de melkopschuimer in het steelpannetje houd. ‘Probeer alleen met je ogen mijn vingers te volgen en je hoofd stil te houden.’ Ik doe wat ze zegt en richt al mijn aandacht op haar zwaaiende vingers. Mijn ogen gaan van links naar rechts en terug. Mijn hand gaat ongemerkt omhoog. Het roterende gedeelte van de melkopschuimer komt boven het melkoppervlak uit en de spetters vliegen in het rond. ‘Kijk uit!’ roept Elise. Met een noodgang zit de hele keuken onder de melk. Onze gezichten zijn bedekt met spetters. We kijken elkaar aan en schateren het uit. Minutenlang buldert onze lach door de keuken. Met haar hand op mijn arm probeert Elise zich staande te houden, terwijl haar schouders schokken. De tranen rollen over onze wangen. ‘EMDR en cappuccino is dus geen goede combinatie,’ gier ik. Als de rust is teruggekeerd, drinken we de mislukte cappuccino op de bank en vertellen we elkaar anekdotes uit ons leven. Het is tijden geleden dat ik zo heb gelachen. De tijd vliegt in haar aanwezigheid.

Als ik na een toiletbezoek terugkom in de woonkamer, zie ik Elise naast de schoorsteenmantel staan met de echofoto van mijn ongeboren kind in haar handen. ‘Mag ik je wat vragen, Marjolein?’ ‘Natuurlijk.’ ‘Hoe ben je zwanger geraakt?’ ‘Net als bij Valentijn. Door kunstmatige inseminatie.’ ‘Maar alleen? Dat is een heftige beslissing.’ ‘Ik wilde graag een broertje of zusje voor Valentijn. Iemand met wie hij zou kunnen opgroeien. Dolgraag wilde ik nogmaals een kind dragen, voeden en liefhebben. Door de breuk met Bianca leek die wens verder weg dan ooit.’ ‘En toen?’ ‘Valentijn was verwekt in het ziekenhuis met donorzaad. Onze reservering op het donorzaad voor een eventueel tweede kindje stond nog uit. De mogelijkheid was er en ik wilde niet afhankelijk zijn van een partner.’ ‘Was je niet bang dat je het niet aan zou kunnen?’ ‘Nee, ik voel me juist heel sterk. Ik weet dat ik het kan. Ook alleen. In goed overleg met mijn familie ben ik opnieuw het traject ingegaan om zwanger te worden en al snel was het raak.’ ‘Stoer. En gedurfd.’ ‘Drie weken geleden heb ik een geslachtsbepalingsecho gehad. Het is een meisje,’ zeg ik trots tegen Elise. ‘Over een week of twintig heb ik een zoon én een dochter.’ Ik wijs naar de uitvergrote foto van Valentijn op de muur. ‘Een koningspaar,’ zegt Elise met een vleugje jaloezie in haar stem.

Na het avondeten neemt Elise mij op de bank in haar armen en kust mij hartstochtelijk. De onwennigheid van enkele uren daarvoor is verdwenen. Vol vertrouwen verkennen we elkaar. Ik maak de klem in haar haar los en glijd met mijn handen door haar haar. Dan druk ik opnieuw mijn lippen tegen die van haar en onze tongen vinden elkaar. Volledig gaan we in elkaar op. Langzaam schuift Elise met haar vingers via mijn zij richting mijn buik. ‘Wil je haar voelen?’ vraag ik. Verwachtingsvol knikt ze. Ik trek mijn shirt een stukje omhoog en druk Elises hand op de plek waar ik beweging voel. De baby geeft een harde trap tegen mijn buikwand. ‘Ik voel haar!’ roept Elise uitgelaten. ‘Wat geweldig! Wat bijzonder!’ ‘Je bent de eerste die haar heeft gevoeld, Elise.’ Gelukzalig kijkt ze me aan en kust mij nogmaals. Vuriger dan net. ‘Ik ben verliefd op je, Marjolein. Vanaf het moment dat ik je foto zag op de datingsite maakte je iets in mij los wat ik niet kan omschrijven, maar nu ik je leer kennen worden mijn gevoelens alleen maar sterker. Ik wil het van de daken schreeuwen.’ En ze slaat haar armen uit om haar woorden kracht bij te zetten. ‘Ik ook op jou, Elise.’ Ik neem een diepe hap lucht en schraap al mijn moed bij elkaar. ‘Zullen we naar boven gaan?’ Uitdagend kijkt ze me aan. Ik pak haar hand en sta op van de bank. Ik trek haar omhoog en leid haar naar de gang. Naar de trap. Naar boven. De slaapkamer in waar we huid op huid onszelf in elkaar verliezen. De nacht is eindeloos. Uitgeput vallen we in slaap, tot de ochtendzon door de kieren van mijn slaapkamergordijnen gloort. Als ik mijn ogen open, zie ik dat Elise naar mij kijkt. De vage glimlach rond haar mond verbergt onvoldoende de vrees in haar oogopslag. ‘Er is iets wat je over mij moet weten, Marjolein,’ zegt Elise met een serieuze ondertoon in haar stem. Haar hoofd ligt op mijn bovenarm. Een onbestemd gevoel bekruipt me en ik zet mij schrap voor wat ze gaat zeggen. ‘Ik ben ziek,’ zegt ze terneergeslagen. ‘Chronisch ziek.’