DFU_omslag

De fatale uitweg – Paperback

€14,99

Meer lezen van Sietske Scholten? Bestel nu haar literaire thriller ‘De fatale uitweg’.
Levertijd: voor 12.00 uur besteld, 1 werkdag
Verzendkosten: gratis

 

Beknopte inhoud:
Na de dood van hun dertienjarige dochter lijkt er van het ogenschijnlijk gelukkige huwelijk van Annemijn en Pieter niet veel meer over. Zoekend naar de reden van haar onheil zal Annemijn zichzelf in de ogen moeten kijken.

Lees de eerste vier hoofdstukken hieronder in het tabblad of bekijk deze hoofdstukken als PDF (vormgeving boek).

20 reviews voor De fatale uitweg – Paperback

  1. Charlotte
    5 van 5

    :

    Elke dag om 12 uur gelijk kijken of er weer een blog was. Zo ontzettend goed geschreven. Tot op het einde spannend. Het einde zelf was totaal onverwacht.

  2. karin gk
    5 van 5

    :

    Pakkend vanaf regel 1! Plotwendingen die je niet verwacht. Ik heb elke dag vol spanning de nieuwe blog gelezen.

  3. hanneke
    5 van 5

    :

    Geweldig boek dat ik met veel plezier heb gelezen en zeker een aanrader is. Spannend van begin tot het eind. Als je denkt te weten hoe het zit veranderd alles ineens weer.

  4. Shirley
    5 van 5

    :

    Vanaf het eerste moment meegelezen. Wat een spanning! Ik heb ervan genoten

  5. Yvette
    5 van 5

    :

    Een geweldig spannend boek, met veel emotie en genot gelezen.

  6. Joyce Funcke
    5 van 5

    :

    Steeds met spanning gelezen. Wat kunnen mensen bijzondere talenten hebben! Dit is niet te onderscheiden van de al ‘bekende schrijvers’ qua spanning en kwaliteit. Kan zo rechtstreeks de boekhandel in tussen de literaire thrillers. En in dit verhaal was het eind onverwachter en schokkender dan normaal gesproken bij andere schrijvers. Dus echt een aanrader! Dit is het pas het begin denk ik van de vele boeken die nog volgen.

  7. Marloes
    5 van 5

    :

    Ik heb de hoofdstukken verslonden en intens meegeleefd. Ik raad het boek aan iedereen aan.

  8. Martina
    5 van 5

    :

    Wat een heerlijk boek om te lezen, elke dag een stukje en Ooooh wat duurde wachten in t weekend toch ontzettend lang.. En dan elke keer maar denken dat je weet hoe het gaat lopen en hop, weer een spannende wending in t verhaal! Echt een absolute aanrader, Sietske is echt een fantastische schrijfster!!!

  9. Marieke
    5 van 5

    :

    Spannend van de eerste regel tot en met de laatste letter! Het verhaal pakte me helemaal en de plotwendingen maakten me soms letterlijk van slag.
    Een aanrader!

  10. Rachelle
    5 van 5

    :

    Een geweldig spannend verhaal die je tot het einde bezig houdt en zelfs dan wil je nog meer! Een geweldig blogverhaal met een super verhaallijn, en dan te bedenken dat je tussen de dagelijkse bedrijven door schrijft. Wauw!

  11. sanne
    5 van 5

    :

    Spannend tot het einde! Kijk al uit naar het volgende verhaal!

  12. Ellie
    4 van 5

    :

    In 1 ruk doorlezen omdat het zo spannend is.
    Ontzettend genoten van het lezen

  13. Ilona de Vries
    5 van 5

    :

    De fatale uitweg heeft me onwijs geboeid, aan het denken gezet en geraakt. Ieder hoofdstuk opnieuw was spannend en verrassend. Sietske, ik blijf je volgen en ben absoluut fan van je schrijfstijl!

  14. Parelbloesem (Kelly)
    5 van 5

    :

    Ze pakt je bij de hand en neemt je helemaal mee in het verhaal. Het boeit je van begin tot het eind. Vele thrillers gelezen, maar tot nu nooit iemand die mij zo wist te boeien tot het eind. Een schrijfster met talent, Sietske Scholten!

  15. Wendy Buurmeester
    5 van 5

    :

    Elke dag stipt 12 uur zat ik te wachten op een nieuwe blog… een rust moment in de dag en elke keer las ik het in 1 adem uit! Zo ontzettend spannend en zó ontzettend goed geschreven! Lieve Sietske ik hoop nog lang van je verhalen te mogen genieten.

  16. Fiona
    5 van 5

    :

    De hoofdpersonen uit dit boek kruipen langzaam onder je huid, en net als je eruit bent wie de goeden en slechten zijn, is er weer een onverwachtse wending waardoor je je mening opnieuw moet bijstellen!
    Geweldig debuut dat niet onderdoet voor de “bekende” thrillerschrijvers.

  17. Petra
    5 van 5

    :

    Ik heb maar een woord: ADEMBENEMEND!!!

  18. Elize
    5 van 5

    :

    Spannend, verbijsterend en vol onverwachte twists
    De personages slepen je mee waardoor je van de ene emotie naar de andere geslingerd wordt!
    Dit boek zorgt wel voor slapeloze nachten, want je legt hm dus niet na 1 hoofdstuk weg

  19. Therry Tieben
    5 van 5

    :

    Wat een fantastisch boek. Deze moet je gelezen hebben. Spanning tot de laatste bladzijde!!
    Wat ben ik dankbaar dat ik dit boek als ebook van mijn dochter gekregen heb. Ik ga vast nog eens lezen.
    En…..ik kan niet wachten tot de volgende uitkomt. Wat mij betreft hoor je naast de andere grote schrijfsters in Nederland.

  20. Rietje
    4 van 5

    :

    Heerlijk vlot lezend boek wat prikkelt om verder te lezen. Voor mij persoonlijk iets te kort :)

Een review toevoegen

1.   Blonde haren

Een ambulance scheert rakelings langs mijn auto. Geschrokken kijk ik op. Diep in gedachten verzonken had ik hem niet aan horen komen. De ambulance komt tot stilstand enkele auto’s voor mij. ‘Het was de beste keuze,’ zeg ik hardop tegen mijzelf, terwijl ik mijn tas van de passagiersstoel pak. Met de tas op mijn schoot zoek ik mijn telefoon tussen de andere spullen. Wat had ik graag thuis willen zijn. Op de bank willen ploffen en genieten van de warmte in huis. Mijn huis. Mijn thuis.

Waarschijnlijk heeft Pieter samen met Mees de haard al aangestoken. Ik krijg een glimlach op mijn gezicht als ik denk aan de felle discussie die we hadden met de architect. Pieter stond erop om een open haard te nemen. ‘Echt vuur’, zei hij, ‘Ik moet mijn mannelijkheid toch kunnen uiten? En het hoort bij de opvoeding van Mees. Fikkies stoken.’ Ik lachte geveinsd mee, terwijl ik nogmaals de folder van de elektrische haard doorbladerde. Veel strakker, veiliger, moderner en gemakkelijker. Met een druk op de knop een gestructureerde vlammenzee. Ik hield mijn mond. De openhaard was er gekomen en gaf een prettige sfeer in de grote woonkamer. En Mees vond het inderdaad geweldig. Elke zondag rond de klok van vier riep Pieter Mees. Zorgvuldig legde Mees vier houtblokken in de open haard. Propte enkele pagina’s van een oude krant in de gaten en hield de brandende lucifer ertegen aan, terwijl Pieter een fles rode wijn opentrok en twee glazen vulde. Marabel kwam naar beneden aangetrokken door de geur van brandend hout en nestelde zich tegen mij aan in de kolossale grijze bank. Met haar dertien jaar waren dit de spaarzame momenten waarin ik mijn kleine meisje nog herkende. Haar hoofd tegen mijn schouder. Haar blonde haar kriebelend tegen mijn wang. De zondagavond kon beginnen.

Nu sta ik hier, in de file. Twintig over vier. Pieter zou zich, met een glas rode wijn in zijn hand, afvragen waar ik bleef. ‘File. Kom eraan,’ typ ik in en druk op verzenden. Zuchtend kijk ik voor mij uit. ‘Hoe lang zal dit gaan duren?’ Om mij heen stappen mensen uit hun auto, kijkend in de richting van de ambulance. Vanuit nieuwsgierigheid doe ik hetzelfde. Ik loop langs de rij auto’s die voor de mijne staan. Een politieagente houdt mij tegen. ‘Mevrouw, voor toeschouwers is hier geen ruimte. Wilt u alstublieft teruggaan naar uw auto?’ Vluchtig werp ik een blik op de rampplek.

Ambulancebroeders en politieagenten bewegen zich gehaast. Tussen de benen door zie ik in een flits blonde haren. Mijn hart slaat een slag over. Ik begin te trillen. ‘Doe normaal,’ denk ik bij mijzelf. Ik draai me om en wil teruglopen naar mijn auto, als ik nogmaals kijk naar de plek waar het slachtoffer ligt. ‘Ik moet het weten.’ Daadkrachtig stap ik richting de massa hulpverleners. De politieagente houdt mij opnieuw tegen. ‘Mevrouw…,’ ik luister niet. Ik loop door. Blonde haren op het asfalt. Mijn hart staat stil. Ik buk achter een broeder. Ik moet het zien. Ik moet het weten. Ik kijk door de benen. Recht in het gezicht van mijn kind. ‘Marabel!’ gil ik. Mijn hand schiet naar mijn mond. Tussen mijn vingers door schreeuw ik de woorden. ‘Nee! Nee! Nee!’ Ik zak in elkaar. ‘Haal die vrouw hier weg!’ roept de verpleegkundige, ‘Wie haalt die vrouw hier weg?’ Ik grijp met mijn hand richting mijn kind. Te ver weg. Ik kan er niet bij. ‘Marabel!’ Mensen draaien zich om. Pakken mij vast. ‘Het is de moeder.’ Ik zie dat ze gereanimeerd wordt. Ik zie het bloed. ‘Wat is er gebeurd?’ En dan zie ik niets meer.

 

2.  Gesloten ogen

Als ik mijn ogen open, lig ik op het asfalt. De politieagente die mij zojuist nog tegenhield zit op haar hurken naast mij. ‘Mijn kind,’ huil ik. ‘Mijn kind.’ Een andere agent vraagt naar mijn naam. ‘Annemijn van de Velde,’ mompel ik verslagen. Wijzend naar Marabel pers ik de woorden uit mijn mond, ‘En dat is mijn dochter.’ Als ik probeer op te staan, voel ik dat de agente mij tegenhoudt. ‘Mevrouw van de Velde, het is beter….’ Ik duw haar arm ruw van mij af. ‘Ik wil naar mijn kind.’ En been richting mijn dochter. Terwijl een broeder in een traag ritme een ballon indrukt om mijn dochter van zuurstof te voorzien, wordt Marabel op de brancard getild. ‘Bel, mamma is hier,’ roep ik. Marabel heeft haar ogen gesloten. Terwijl de brancard de ambulance in wordt geschoven, vraag ik door mijn tranen heen of ik mee mag. ‘Sorry mevrouw, we hebben alle ruimte nodig,’ zegt de broeder gehaast en maakt een sprong de wagen in. Naast mijn dochter. Een andere broeder sluit de deuren, rent naar de voorkant, de ambulance in. De hardheid van het geluid van de sirene doet mij duizelen. Een hoofdpijn welt op. Ik zie de ambulance wegscheuren. Met mijn kind.

Marabels fiets, volledig verkreukeld, zie ik in een ooghoek. ‘Hoe kon dit gebeuren?’ vraag ik wanhopig aan niemand in het bijzonder. Een agent die ik nog niet eerder gezien heb, geeft antwoord. ‘Degene die het slachtoffer heeft aangereden, is onbekend.’ ‘Wat?’ mijn maag draait zich om. ‘Doorgereden. De eerste ooggetuigen worden nu verhoord.’ De woorden komen niet binnen. Nadenken lukt nauwelijks. Er wordt mij verteld dat mijn auto wordt thuisgebracht. Ik geef apathisch mijn sleutel af en wordt meegenomen naar een politieauto. Ze brengen mij naar het ziekenhuis. ‘Pieter! Mijn man weet het nog niet.’ Ik zoek mijn tas en bedenk mij dat die nog in mijn auto ligt. Mijn telefoon ook. ‘Wij brengen uw man op de hoogte,’ hoor ik nog net als de deur van de politieauto wordt dichtgegooid.

Ik ren naar de ingang van het ziekenhuis op weg naar de spoedeisende hulp. ‘Ik ben de moeder van Marabel van de Velde! Het meisje dat net binnen is gebracht,’ breng ik stotterend uit aan de bali van de SEH. De ogen van de baliemedewerkster schieten van het beeldscherm mijn kant op. ‘Ogenblikje,’ zegt ze vlug en grijpt de telefoon. Ze draait zich weg van mij, terwijl ze iets door de telefoon zegt. Ik kan het niet horen.

Iemand raakt mij aan. ‘Mevrouw, u mag even met mij meekomen.’ Ik draai mij om en zie een arts van middelbare leeftijd in een witte jas. Ik word meegenomen naar een kamertje. ‘Ik wil naar mijn dochter!’ zeg ik in paniek als ik de kamer binnenstap. Hier is mijn dochter niet. Rennende voetstappen. Een hand ploft op mijn schouder. ‘Annemijn!’ De stem van Pieter. Angstig. Ik val in zijn armen. Zijn veilige sterke armen. ‘Meneer en mevrouw van de Velde, het spijt mij verschrikkelijk om te moeten zeggen. Uw dochter is zojuist overleden.’ Een koude rilling over mijn hele lijf. Dit is niet waar. Zeg dat het niet waar is! Voor de tweede maal vandaag zak ik door mijn knieën. Ik kan mijn lijf niet meer dragen. ‘Neeeee!’ ik schreeuw, ik krijs. ‘Nee, nee, nee!’ Pieter houdt mij stevig vast. Mijn voorhoofd tegen zijn wang. Ik ruik zijn geur. Mijn eigen vertrouwde Pieter. De wereld bestaat alleen nog uit ons. Ik maak mij los uit zijn omhelzing. Kijk hem in de ogen. Ik zie zijn pijn. Ik leg mijn hand op zijn betraande wangen. ‘Pieter, ik…’ begin ik mijn zin. ‘Stil maar, Annemijn, ik ben hier. We zijn samen.’ Ik knik, terwijl ik mijn ogen sluit en mij opnieuw begraaf in zijn armen. De plek die ik al zolang mistte.

Achttien was ik toen ik Pieter voor het eerst zag. Dolverliefd op zijn jongere broer Wouter. Wekenlang had ik met mijn pasverworven rijbewijs elke zaterdag mijn vaders auto naar de wasstraat gereden in de hoop dat Wouter er zou zijn. Met de hogedrukreiniger in zijn hand vroeg hij wat ik wilde. ‘Jou,’ dacht ik. ‘Het standaard programma,’ was mijn antwoord. Toen hij mij eindelijk mee uit vroeg, nam hij mij eerst mee naar huis. Mijn vlinders voor Wouter verdwenen als sneeuw voor de zon toen ik Pieter de trap af zag komen. Zijn korte donkerblonde haar, zijn grote sterke lijf, zijn lach. ‘Zo, Wout, is dat nou je nieuwe vriendinnetje? Ze mag wel vaker langskomen.’ Wouter werd net zo rood als ik. Pieter gaf mij een knipoog. Ik was verliefd.

Wouter en ik kregen verkering. Zo kon ik nog vaker bij Pieter zijn. In de armen van Wouter, smachtte ik naar Pieter. Op een avond waarop ik met Wouter had afgesproken, moest hij overwerken. Pieter was alleen thuis. Ik excuseerde mij. Zei dat ik later wel terug zou komen. Waarop Pieter de deur verder opendeed. ‘Geen denken aan. Eindelijk tijd voor ons alleen.’ Ik stapte de gang in. Op van de zenuwen. Pieter sloot de deur. Deed een stap naar mij toe. Legde zijn hand op mijn wang. En kuste mij. Zacht. Warm. Teder. Ik sloot mijn ogen. Het voelde alsof ik vloog. Wij waren de wereld. En er was niets meer dan wij.

Wouter kwam vlak daarna thuis. Pieter en ik deden alsof er niets gebeurd was. Maar onze onzichtbare verbinding was gelegd. Wij hoorden bij elkaar.

Pieter vroeg mij enkele dagen later om langs te komen. Opnieuw was hij alleen thuis, maar dit keer was ik ervan op de hoogte. Hij nam me mee. Naar boven. Mijn lichaam stond in vuur en vlam. Pieter trok mij tegen zich aan. Zoende mij. Wilder dit keer. Ik wist wat er ging komen. Jarenlang was ik bang voor dit moment. Hoe het zou zijn. Iedere vezel in mijn lijf was klaar voor dit moment. Pieter duwde mij zachtjes richting zijn bed. Half ontkleed viel ik op het zachte matras. Rook zijn geur in het beddengoed. Ik kon niet meer wachten. Mijn lijf schreeuwde om Pieter. ‘Annemijn!’ Een kreet vulde de ruimte. Pieter en ik keken beiden op. In de deuropening stond Wouter. Opengesperde ogen die zich langzaam vulden met vocht. Draaide zich om en stoof weg.

 

3.  Verwachtingsvol
Wouter was gekrenkt, dat merkte ik duidelijk. Maar de liefde die ik voelde voor Pieter was niet meer te verbergen. Wouter legde zich er uiteindelijk bij neer, al was de band met zijn broer voorgoed veranderd. Het vertrouwen was geschaad.

Pieter en ik trokken elk vrij moment met elkaar op. Wat begon als kalverliefde ontwikkelde zich in de jaren erna als een intense verbondenheid tussen ons. Ik hield van de kracht van Pieter. Zijn duidelijke eigen mening. Zijn vermogen om mij te koesteren en beschermen. Ik voelde mij veilig aan zijn zij. Zo verlegen en teruggetrokken als ik vroeger was, met Pieter naast mij durfde ik in de aandacht te staan. Ik groeide door hem.

Pieter, onbevredigd door het schoolsysteem, stopte voortijdig met zijn studie. Met twee vrienden drong hij zich een weg in de wereld van het vastgoed. Ze startten een eigen zaak. Hadden niets te verliezen. Binnen een mum van tijd was er succes en geld. Veel geld. Het werd tijd voor de volgende stap.

Tweeëntwintig was ik. Een jaar eerder had ik een kamer gevonden in de stad waar ik studeerde. Ik genoot van de vrijheid. De onafhankelijkheid. Twaalf vierkante meter die geheel aan mij toebehoorde. Er stond een kledingkast, een bureautje, een stoel met een berg kleding erover, een nachtkastje en het belangrijkste element uit de kamer: mijn tweepersoonsbed. Pieter was er veel. Als de tijd het toeliet, was hij bij mij. We gingen uit, kwamen midden in de nacht terug in het studentenhuis, slopen de trap op en konden met moeite onze kleding aanhouden tot we mijn kamer hadden bereikt. We waren verslaafd aan elkaars lichaam. Ik kende elke moedervlek van Pieter, elk litteken, ik kende zijn gevoelige plekken, de verdwaalde plukjes borsthaar, zijn handen, zijn lippen. Zijn lijf was mij net zo vertrouwd als mijn eigen lichaam.

Op een ochtend ontwaakte ik. Langzaam opende ik mijn ogen. Wennend aan het felle licht dat door de gordijnen naar binnen kwam. Pieters gezicht op enkele centimeters afstand van het mijne. Hij keek mij aan met zijn prachtige reebruine ogen. Een glimlach op zijn gezicht. ‘Ben je al lang wakker?’ vroeg ik hem. ‘Ik kan niet stoppen met het kijken naar jou,’ zei hij zwoel. Ik begon te blozen. ‘Al drie jaar lang mag ik je mijn vriendin noemen. Heb ik het geluk om met jou te mogen slapen. Mijn, ik wil niet meer wakker worden zonder jou.’ ‘Wat bedoel je?’ vroeg ik gevleid. Abrupt richtte hij zich op. Gaf mij een kus op mijn wang. Sprong uit bed. In een vloeiende beweging veegde hij al zijn kledingstukken bij elkaar van de grond. Binnen enkele seconden had hij zich aangekleed. Liep nogmaals naar mij toe. Drukte een kus op mijn voorhoofd. ‘Ik moet wat regelen, prinses, ik zie je later vandaag.’ En liet mij verbouwereerd achter.

Aan het einde van de middag, vlak na sluitingstijd van de schoenwinkel waar ik op zaterdags werkte, liep ik richting mijn fiets toen er opeens werd geclaxonneerd achter mij. Ik keek achterom en zag Pieter hangend uit het raampje van zijn auto. ‘Prinses! Spring in de auto. Ik moet je wat laten zien!’ Mijn hart vulde zich met geluk. Lachend rende ik naar zijn auto en stapte in aan de passagierskant. Pieter trapte het gaspedaal flink in en met gierende banden reden we weg. Mijn studentenstad uit. Over de snelweg. Richting mijn geboorteplaats en die van hem. Daar waar ons leven was begonnen. Meerdere malen vroeg ik hem nieuwsgierig wat we gingen doen. ‘Wacht maar af,’ bleef zijn antwoord met een geheimzinnige lach rondom zijn mond. Hij legde zijn hand op mijn been. Een tinteling door mijn lijf. ‘Wacht maar af.’

De afslag naar het huis van Pieters ouders, waar hij op dat moment nog woonde, reden we voorbij. Het centrum langs. Het huis van mijn ouders ook. Vragend keek ik hem aan. ‘Zeg het nou!’ ik bestierf het bijna van de gelukzalige onzekerheid toen Pieter opeens rechts afsloeg bij een kruispunt en langzamer ging rijden. Enkele malen was ik hier geweest. Een klein idyllisch dorp grenzend aan de stad waar ik was opgegroeid. We stopten op de oprijlaan van een mooi groot huis. Pieter stapte uit, liep om de auto heen en opende mijn portier. Mijn blik sprak boekdelen. Pieter schoot in de lach. ‘Je hebt echt geen idee, hè?’, zei hij plagerig. Hij pakte mijn hand en begeleidde mij naar de voordeur. ‘Wie woont hier?’, vroeg ik twijfelachtig. Mijn vraag bleef onbeantwoord, terwijl Pieter een sleutel tevoorschijn haalde uit zijn broekzak. De sleutel stak hij in het slot. De deur ging open. ‘Pieter, van wie is dit huis?’ probeerde ik nogmaals. Pieter legde zijn vinger op mijn lippen en keek mij veelbelovend aan. Daarna trok hij mij mee. De ruime hal door, langs de prachtige schuifdeuren, waarna we terechtkwamen in de grote lege, maar betoverend mooie woonkamer. ‘Welkom thuis, Mijn.’ Ongelovig keek ik hem aan. ‘Wat?’ ‘Dit is van ons,’ zei Pieter trots, ‘Ik heb het vandaag gekocht. We kunnen er direct in.’ Nogmaals keek ik rond. Ik kon het niet bevatten. ‘Maar hoe…?’ ‘Maak je geen zorgen, ik heb alles geregeld.’

We liepen het hele huis door. Kamer na kamer. De grote open keuken. We liepen de tuin in. Richting het bijgebouwtje. Pieter opende de deur. ‘Voor de gasten,’ zei hij. Ik draaide mij om en keek naar de achterkant van het grote huis. Ons huis. ‘Hoe vind je het?’ vroeg Pieter glunderend. Er ging van alles door mijn hoofd. Mijn heerlijke studentenkamer, mijn eigen kleine wereld, overzichtelijk, jeugdig. Mijn studievriendinnen met wie ik doordeweeks samen kookte en at. Geen verantwoordelijkheden naast mijn studie. Mijn vrijheid. ‘Prachtig, werkelijk prachtig,’ zei ik, ‘maar….’ Ik zag Pieters gezicht betrekken. ‘Wat is er dan?’ Ik twijfelde. In mijn hoofd hoorde ik de woorden die Pieter ’s ochtends romantisch tegen mij had gezegd: ‘Ik wil niet meer wakker worden zonder jou.’ Pieter was mijn toekomst. Een goede toekomst met de man van mijn dromen. Ik mocht het niet kapot maken. ‘Niks, lieverd. Ik ben gewoon sprakeloos. Dat ík hier mag wonen. Dank je wel!’ Ik bezegelde de woorden met een vurige zoen, duwde Pieter liefdevol het bijgebouwtje in en vrijde mijn twijfels weg.

 

4. Vol overgave
De dag erna vouwden we Pieters tweepersoonsmatras dubbel, lieten het van de trap afglijden, het huis van zijn ouders uit en schoven het via de achterklep Pieters auto in. Daar bovenop propten we het dekbed, twee kussens, een magnetron en een plastic tasje gevuld met twee messen, twee vorken, twee lepels, twee bekers, twee ontbijtbordjes, twee kommen, enkele stompkaarsen, een doosje lucifers en een blik soep.

Het regende toen we aankwamen bij ons nieuwe huis. In een moordend tempo renden we van de auto naar de voordeur om alle spullen droog in de hal te krijgen. Het matras glipte tot drie keer toe uit mijn handen, met natte plekken tot gevolg. In de hal konden we onze lach niet langer inhouden. We keken elkaar aan en bulderden het uit. Pieter schudde liefkozend zijn hoofd en grinnikte: ‘Verregend ben je zó sexy!’ Waarop ik hem een zoen gaf.

De grootste slaapkamer aan de tuinkant van ons nieuwe huis werd onze slaapkamer. Het matras verdween in de vierkante meters leegte. Ik maakte het bed op, zette de stompkaarsen neer en stak ze aan. Pieter warmde de soep op in de magnetron. We aten de hete soep in kleermakerszit op het matras bij het schijnsel van het kaarslicht. Toen we de borden leeg hadden, stapelde ik ze op en zette het op de vloer, waarna we onder het dekbed kropen. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder, zijn arm om mij heen. Ik voelde mij rijk, maar ergens diep van binnen ook verloren. Al begreep ik niet waarom.

Mijn studentenkamer zegde ik op. Op die paar spullen in mijn kamer na, bezat ik niets. Ook Pieter had nog geen huisraad opgebouwd. Maar het nagenoeg lege huis vulde zich snel met meubels en apparatuur die we nieuw kochten. Het kon niet op. Bijna dagelijks stond er een bestelbus op de oprijlaan met weer een lading nieuwe goederen. Wat betreft de inrichting liet Pieter zich leiden door mijn smaak. Ik groeide het huis in. Ik temde de grootsheid en maakte het mij eigen. Het werd mijn thuis.

Pieter kocht voor mij een klein tweedehands autootje, waarmee ik enkele dagen in de week de afstand van en naar de universiteit overbrugde. Mijn studentenleven was ik kwijt. Het contact met mijn studievriendinnen veranderde. Ik begon mijn aansluiting met hen te verliezen. ‘Ga je mee een hapje eten met de rest, Annemijn?’ vroeg Tessa mij na een lang en saai college. ‘Wakker worden met een fles rode wijn!’ Ik dacht aan Pieter. ‘Nee, ik ga naar huis. Het is al laat.’ Tessa trok haar schouders op en voegde zich bij de rest van de meiden. Terwijl ik richting mijn auto liep, sloegen zij een andere weg in. Zonder mij. Pieter wachtte thuis. Onderweg, rijdend in mijn auto, probeerde ik mijzelf ervan te overtuigen dat ik ze niet mistte. Ik had genoeg aan Pieter. Midden op de snelweg trok mijn maag zich samen. Het zweet brak me uit. Een koude rilling over mijn rug. Ik voelde mijn lunch mijn keel inschieten. Snel stuurde ik mijn auto naar de vluchtstrook. Dook over de passagiersstoel richting de grendel van het portier. Duwde de deur open. Mijn hoofd naar buiten. Boven het asfalt gaf ik over. Alles kwam eruit. Na een diepe zucht en een teug frisse lucht, trok ik de deur weer dicht. In mijn handtas zocht ik een zakdoekje. Helemaal onderin vond ik een verfrommeld pakje met nog twee zakdoekjes. Ik maakte mijn mond schoon. Slikte een aantal keren. En vervolgde mijn weg.

‘Pieter, hoe heb je dit huis eigenlijk gekocht?’ vroeg ik op een ochtend aan de ontbijttafel. ‘Hoe kom je aan al dat geld?’ ‘Prinses, maak je daar nou niet druk om. De zaak loopt goed. Dit huis kwam in mijn portefeuille, een erfkwestie. De erfgenamen moesten er snel van af. De prijs was mooi. Ik wilde je verrassen,’ zei hij trots. Ik begon te lachen. ‘Verrassen? Waarom niet een gemiddelde jaren ’30 woning? Waarom zo’n kast van een huis? We zijn zo jong.’ Zijn gezicht betrok. ‘Wil je dit niet?’ ‘Daar gaat het niet om, Pieter,’ zei ik stellig. ‘Waar wel om, Annemijn? Is het niet goed genoeg voor je?’ zei hij op iets luidere toon. Hij kneep zijn ogen samen. Ik zag de spieren in zijn nek aanspannen. ‘Wat had je dan gewild?’ Ik zag dat hij zich probeerde te beheersen. Zijn handen gebald tot vuisten voor zich op tafel. Ik werd bang. Dit was niet mijn bedoeling. Ik legde mijn hand op één van zijn vuisten. ‘Sorry lieverd, ik wil je niet boos maken.’ Hij gooide zijn vuist omhoog en sloeg daarmee mijn hand weg. Een glas melk viel om. Bruusk stond hij op, waardoor zijn stoel met een klap achterover op de grond neerkwam. Hij liep op mij af. Torende hoog boven mij uit. ‘Wat wil je dan?’ siste hij. Ik keek omhoog in zijn ogen. Ik herkende hem niet. ‘Ik had het fijn gevonden om samen op zoek te gaan naar een huis voor ons beiden,’ zei ik fluisterend, ‘dat is alles, schat. Ik ben heel blij met deze woning,’ voegde ik er verontschuldigend achteraan. Met twee van zijn vingers pakte hij mijn kin ruw vast. ‘Ik doe het allemaal voor jou, Mijn. Allemaal.’ Emotieloos was zijn intonatie en uitdrukking in zijn gezicht. Daarna duwde hij mijn gezicht van zich af en snelde weg. De tranen prikten in mijn ogen. Mijn hart zat in mijn keel. Wat was dit? Wie was dit? Een vlaag van misselijkheid overviel me. Ik rende naar het toilet en braakte mijn ontbijt eruit.